Schrijf toegankelijke teksten met deze taaltips
Langdradige zinnen in een onsamenhangende tekst vol moeilijke woorden? Wij worden er simpel van. Je leest, je leest en je leest en denkt na het lezen nog steeds: wat móét ik hiermee? Hoe begrijpelijker de tekst, hoe beter de boodschap overkomt. Daarom hebben wij dé tips voor een toegankelijke en leesbare tekst.
Tip 1: de magie van ‘actief schrijven’
Actief schrijven betekent niet dat je naar de sportschool moet gaan om je tekst vanaf de loopband te tikken. Het houdt in dat je lopende werkwoorden gebruikt. Het onderwerp ‘doet’ iets. Vermijd modale hulpwerkwoorden zoals ‘worden, zijn, kunnen, hebben’.
Spot het verschil..
Het effect van klimaatverandering wordt onderzocht door een wetenschapper. Daarvoor wordt de ijsdikte gemeten, worden de temperaturen in de gaten gehouden en wordt het gedrag van ijsberen en pinguïns geobserveerd.
Versus..
De wetenschapper onderzoekt het effect van klimaatverandering op de Noordpool. Hij meet de ijsdikte, houdt de temperaturen in de gaten en observeert het gedrag van ijsberen en pinguïns.
tip 2: kort maar krachtig
Jij wil natuurlijk niet dat mensen na tien woorden afhaken. Waarom schrijf je dan zulke lange zinnen? Korte zinnen doen wonderen: het houdt de aandacht vast. En de kern is sneller duidelijker, waardoor de boodschap beter overkomt. Weet je niet wanneer je zin te lang is? Lees ‘m eens hardop voor. Hap je halverwege naar adem, dan weet je dat die te lang is. Voor toegankelijke teksten mik je op maximaal twintig woorden per zin.
tip 3: galgje speel je thuis
Jij wil een boodschap overbrengen. Dus waarom moeilijk doen, als het makkelijk kan? Moeilijke woorden bewaar je maar voor galgje. Vervang jargonpraat met woorden op B1-niveau. Die zijn makkelijker om te schrijven en fijner om te lezen. En zo bereik je ook nog eens een grotere doelgroep: maar liefst 80% van Nederland begrijpt taal op B1-niveau, terwijl de meeste teksten nog altijd voor hooggeschoolden worden getikt.
Alle tips over tikken op B1-niveau? Duik in ons B1-werkboek.
tip 4: nooit meer taalfouten in je tekst
Je boodschap staat of valt met toegankelijke taal. Maar taalfouten in je tekst doen ook afbreuk aan je autoriteit. Daarom nog een snelle ‘opfriscursus’ rondom de basis van de Nederlandse taal.
Als of dan?
De als-dan-vraag is helemaal niet zo moeilijk als ‘ie lijkt. Als gebruik je wanneer twee dingen hetzelfde zijn, dan gebruik je wanneer twee dingen verschillend zijn. Gebruik dit ezelsbruggetje: a = allebei = als, d = divers = dan.
Hen of hun(nie)?
Staat er een voorzetsel zoals bij, aan of voor in de zin? Dan gebruik je altijd hen. Je geeft de bal áán hen. Je logeert bíj́ hen. Kun je er wel aan of voor bij denken, maar staat het er niet? Dan gebruik je hun. Je vertelt hun een verhaal.
Jou of jouw?
Ik bel jou. En jij belt jouw zus. Je gebruikt jou als je iemand aanspreekt. En jouw als iemands bezit. Ik hou van jou. Jij rijdt op jouw fiets. Zit het nu in jouW systeem?